Darwinisme in de paardenfokkerij

Nederland is met zijn geringe oppervlakte en rijke hippische traditie een Mekka voor paardenliefhebbers en -handelaren. We zijn meesters in fokken, keuren en verhandelen van de ware paardenkracht.

 

Edward Gal moet een ultieme high hebben gevoeld tijdens de Europese Kampioenschappen dressuur in Windsor afgelopen november. Met kloppend hart en stijgende bewondering keek elke paardenliefhebber toe hoe Gal met zijn gitzwarte hengst Totilas alle records brak door de hoogste score aller tijden te halen op de kür.

Bij de Olympische Spelen van 2008 in Peking viel al op dat alle winnende paarden van Nederlandse komaf waren, net als bij de Grand Prix in Stockholm. Deze winnaars zijn fenomenen uit de stallen van het Koninklijke Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN). Het KWPN is in 2009 voor de zesde keer op rij uitgeroepen tot het beste springpaardenstamboek ter wereld.

Nederland kent een rijke paardenhistorie, het werkpaard is na de Tweede Wereldoorlog door boeren en andere liefhebbers in hun achtertuin gefokt tot een sportpaard dat beschikt over de ideale kenmerken voor het springen. Ook in de dressuur werd het Nederlandse stamboek vorig jaar als beste uitgeroepen, voor het eerst. Daarmee haalt het KWPN-paard het Hannoveraanse stamboekpaard in, een hele prestatie gezien de sterke paardentraditie in Duitsland.

Lang niet elk paard komt in aanmerking voor het prestigieuze KWPN-keurmerk. Van de ongeveer 7000 hengstenveulens die jaarlijks in ons land worden geboren, komen zo’n 700 hengsten naar de eerste ronde van de hengstenselectie. Daarvan mogen slechts enkele tientallen paarden deelnemen aan een soort Idols-klasje waarin ze gedurende zeventig dagen worden onderworpen aan diverse tests en keuringen. Gedurende die periode verblijven ze onder uniforme omstandigheden in de comfortabele stallen van de Hippische Sportfederatie te Ermelo.

Ik bezoek het terrein in Ermelo op een dag dat het KWPN een keuring uitvoert op jonge paarden. Een testruiter komt de bak binnen op een schimmel die afstamt van Silverstone, een bekende kampioen in de hengstencompetitie.
“Een attent dier zo te zien,” zegt een lid van een speciaal benoemde keuringscommissie Daan Nanning, voormalig Olympisch ruiter en tegenwoordig paardenhandelaar. “Hij merkt de fotograaf op maar laat zich niet van de wijs brengen.” De commissieleden staan rondom een hoge tafel midden in het zand van de bak en maken driftig aantekeningen op hun evaluatie- en beoordelingslijsten.
Een volgende hengst loopt mooi en krachtig, trekt de benen actief in tijdens de sprong, alleen heeft hij de neiging aan de hand van de ruiter te trekken. Een puntje van aandacht. Dat wordt spannend voor de eigenaar, en ook wel een beetje voor de keuringscommissie die in al die tijd een band heeft opgebouwd met de dieren.

Het door paardenhouders felbegeerde dekbrevet is in 2009 voor slechts vijfentwintig hengsten weggelegd. Johan Knaap, directeur van het KWPN vertelt me alle ins en outs van het verrichtingsonderzoek waaraan de dieren worden onderworpen. Voor merries is de keuring minder streng, hengsten kunnen veel meer nageslacht produceren en dus zijn de selectiecriteria nog scherper.

Als Knaap me voorgaat vanuit de overdekte ring naar een open rijveld, houdt hij ineens stil, om de hoek van een stalgebouw voor een bronzen borstbeeld van een paard. “Ach Ramiro,” zegt hij met veel warmte in zijn stem, “dat was pas een geweldig paard.” En dan zwijgt hij veelbetekenend.
Dat Knaaps hart sneller gaat kloppen van de soepele sprong die een hengst zojuist ten beste gaf, daar kan ik me iets bij voorstellen, de mentale en fysieke kracht van dat dampende dier wekte zonder meer ontzag. Maar aan welke emoties dat koude brons buiten appelleert is mij een raadsel. Dan barst Knaap los in een lofzang op Ramiro.
“Als dekhengst stond hij rond 1985 letterlijk aan de wieg van het ene toppaard na het andere. Na een glansrijke sportcarrière ging Ramiro de dekdienst in bij het Proefbedrijf Paarden. Daar werd destijds geëxperimenteerd met diepvriessperma voor kunstmatige inseminatie. Nog steeds presteert Ramiro’s nageslacht op Olympisch niveau zoals kleinkinderen Olaf en Orestes en zelfs achterkleinkind Sinatra in Peking in 2008. Alle drie verwekt ná Ramiro’s dood in 1995.”
In de tijd dat Knaap werkzaam was voor het Proefbedrijf Paarden, onderdeel van de Wageningen Universiteit, beleefde hij van dichtbij hoe de dekhengst het successymbool werd van de Nederlandse paardenfokkerij.
“Ramiro had gewoon wereldzaad, dat gaf eigenlijk een vertekend beeld van de successen van KI toen.” Sindsdien is het kruisen van bloedlijnen en het samenbrengen van merries en hengsten met exact de gewenste eigenschappen eenvoudig geworden. De dieren hoeven niet meer te reizen en het nageslacht lijkt gegarandeerd van een even succesvolle sportcarrière als vader en moeder.

Numero Uno behoort tot de top van de Nederlandse dekhengsten. Hij leidt een luxeleventje op de Wiemselbach in het Twentse Ootmarsum. Zoals veel stallen ligt ook stoeterij de Wiemselbach op een schilderachtig erf, de woonboerderij en bijgebouwen worden omringd door weilanden en bomenlanen.
Eens per dag wordt Numero Uno naar de fantoombok geleid waar hij met zicht op een mooie maar onbereikbare merrie zijn lozing doet. Het opgevangen zaad wordt direct routineus verwerkt en dezelfde dag bezorgd, een hengstige merrie in het buitenland kan een dag later al worden bediend.
Daan Horn runt de Wiemselbach die zijn ouders opbouwden, vader Hans was onder meer coach van het Nederlands springteam dat goud won op de Olympische Spelen van Barcelona in 1992. Passie en professie worden in paardenland vaak met de paplepel ingegoten. Daan Horn draagt zoals het een paardenman betaamd rijkleding en rijlaarzen, straks gaat hij weer te paard.
“Numero Uno is onze meest bewezen hengst. Zesenveertig van zijn nakomelingen boeken al wedstrijdsuccessen,” meldt hij droogjes. “Pas als een hengst goed vererft kunnen we de marketing starten.” Een paard laten presteren als sporter en daarna naam laten maken in de dekdienst is een beproefde methode van de Wiemselbach, het bedrijf behoort tot de beste van de 150 hengstenstations in ons land. Maar Horn zal er niet omheen draaien: “Het is heel moeilijk te zeggen welk paard goed is. Wij volgen veel paarden op de voet, maar soms zie je er één waar je nog nooit van hebt gehoord een wedstrijd winnen.”

Veulens die voortkomen uit gunstig gekruiste bloedlijnen worden soms twee dagen na de geboorte al verkocht, aan grote stallen die over veel (sponsor)kapitaal beschikken of aan buitenlandse kopers. Horn houdt zich bezig met de sporttak van het bedrijf, zijn collega Koen Brinkman verzorgt de hengstenhouderij. Beiden zijn ook altijd op zoek naar nieuw jong talent.
Brinkman: “Veulens mogen vanaf vier maanden van hun moeder af, alleen kan je op die leeftijd nog weinig zeggen over hun talent. Wij proberen nieuwe beloftes aan te kopen vóór de eerste keuring door het KWPN. Dat scheelt flink in prijs. Als een paard talentvol lijkt, laten we het grondig keuren, bij een goede gezondheid kopen we het aan om het dier zelf verder te trainen. Maar je koopt altijd een verwachting. Vader en moeder kunnen goed zijn, maar een veulen kan toch een slechte bouw hebben of niet goed genoeg springen. Het is net een staatslot,” vertelt Brinkman terwijl hij in het laboratorium een paar miljoen zaadcellen van dekhengst Vincenzo met 2000 toeren per minuut laat centrifugeren om ze van het vocht te ontdoen.

Universiteiten van onder meer Utrecht en Wageningen verdiepen zich in gewrichtsziekten, kraakbeenaandoeningen en andere oorzaken die paarden tot last kunnen zijn en die fokkers in de toekomst hopen weg te nemen.
In hun poging overerfbare eigenschappen te sturen bij nieuwe generaties paarden, dienen fokkers er rekening mee te houden dat het twintig jaar duurt eer eigenschappen zijn ingesleten of uitgebannen binnen een paardenfamilie. Twintig procent van de eigenschappen van een paard is overerfbaar via de genen, de overige tachtig procent wordt bepaald door niet overerfbare zaken als voeding, training en gezondheid.
Het KWPN stimuleert dergelijk onderzoek. “Wij hebben in 2008 al uitgebreid stilgestaan bij de Olympische Spelen van 2020,” zo zegt Johan Knaap. “Om te blijven fokken voor de markt moeten we inspelen op veranderende behoeften zoals de toename van vrouwelijke ruiters en de opkomst van de Chinese markt; naar verwachting worden de lichtshows tijdens wedstrijden steeds spectaculairder.”
Dergelijke factoren vragen om licht hanteerbare paarden die niet snel schrikken. Het is bovendien zorg om de concurrentie van andere stamboeken voor te blijven. Allemaal redenen om vernieuwing aan te brengen in fokprogramma’s.

Knaap: “Het KWPN heeft de maatschappelijke plicht om gezonde toppaarden af te leveren.” Het fascineert me hoe alle paardenmensen met de grootste passie ‘het beste’ paard willen creëren. Terwijl juist de experts maar al te goed beseffen in een loterij mee te draaien, geloven ze heilig in het verbeteren en veranderen van soorten.

“We spelen voor Darwin,” zo zei organisator Paul Brüger van Indoor Brabant. Klonen is mogelijk, vertelde Johan Knaap. “Een gekloond paard zou mogen meelopen in onze selectie maar het KWPN stimuleert klonen niet. Wij verwachten er niet veel van, het is toch een herhaling van eigenschappen.” Op zijn beurt is Koen Brinkman niet enthousiast over de praktijk waarbij een foetus uit een topmerrie wordt weggenomen en overgeplaatst naar een andere merrie die de zwangerschap voldraagt. Dan kan de topmerrie vaker geïnsemineerd worden en dus meer veelbelovend nageslacht opleveren. “Daarmee gaan we wel erg op de stoel van God zitten.”

Een merrie wordt door een gigantisch röntgenapparaat gescand voordat ze wordt gedekt, haar verzorger spoelt de baarmoeder door voordat het zaad van een dekhengst via een rietje wordt ingebracht. Kunstmatige inseminatie is ook voor mensen natuurlijk al heel gewoon, een groot verschil is dat mensen er zelf voor kiezen.

Paarden leven al eeuwen onder heerschappij van de mens. En al hebben we het paard al lang niet meer nodig om zijn paardenkracht, van de leidersrol kunnen we kennelijk geen genoeg krijgen. Wat nu precies het geheim is van het Nederlandse succes blijft gissen. Het staat buiten kijf dat de sector ambitieus is en goed presteert op het gebied van fokken, trainen, verzorgen en het verhandelen van paarden. Een zorgvuldig opgebouwd imago van kracht, kwaliteit en betrouwbaarheid onder paardenminners in binnen- en buitenland zorgt voor de rest.

Fokken is gokken, de kenners zeggen het zelf. In ons land wordt bijna evenveel geld aan paarden besteed als aan fietsen. De paardensector zorgde jarenlang voor een omzet van zo’n anderhalf miljard euro, hoewel ook hier uiteraard de gevolgen van de huidige economische tegenspoed voelbaar zijn.
Over de waarde van de nieuwe belofte Totilas wordt echter driftig gespeculeerd, hij zou 10 tot zelfs 15 miljoen euro waard zijn terwijl een duur toppaard van Olympisch kaliber normaalgesproken een tot twee miljoen euro doet. Het paard is als economisch product goud waard - maar ook zeer conjunctuurgevoelig.

Paardenhandelaar Norbert Gieling kan zichzelf en zijn buitenlandse klanten niet meer door een chauffeur laten rondrijden. Maar de zaken gaan voort. Ik ontmoet Gieling op een dinsdagmorgen om 8.00 op luchthaven Schiphol. Voor de schuifdeuren van de aankomsthal schetst hij het profiel van zijn klant. “Ik verwacht een verzorgde, slanke vrouw. Mijn klandizie bestaat uit rijke, vaak verwende Amerikaanse vrouwen die voor het beste van het beste gaan. Ze zijn amateurs maar willen een paard van Olympisch niveau.”
Behalve de goede naam van onze fokkerij is het kleine oppervlak één van de attracties van Nederland-paardenland. Een groot voordeel ten opzichte van de Amerikaanse paardenmarkt die paardentrainster Bre Dorsett kernachtig omschrijft als “too few and too far between”. Dorsett reist mee als adviseur van Jacky Pisani die een Nederlands KWPN-paard wil aanschaffen. De dames vliegen in vanuit Texas en komen drie dagen speciaal voor “horseshopping”. Ter voorbereiding heeft Pisani de ervaring en referenties van Gieling grondig doorgelicht.

Eenmaal ter plaatse is tempo geboden, vandaag staat de bezichtiging van zeven paarden bij diverse stallen op het programma. We doorkruisen het hele land en wippen ook nog even de grens met Duitsland over. Met toegeknepen ogen beoordelen Pisani en Dorsett de stijl van hun potentiële aankopen en proberen ze in één oogopslag een juiste indruk van de dieren te krijgen.
Zoet, braaf, gewillig en hanteerbaar zijn woorden die veelvuldig en met goedkeuring vallen. Pisani’s budget is 85.000,- euro maar het zal Gieling niet verbazen als dat oploopt tot 125.000,- euro als ze daarmee haar droompaardje kan bemachtigen.

Steeds meer zakenmensen of oliesjeiks leggen met gemak 300.000 euro neer voor een paard dat het KWPN-kwaliteitslabel heeft. Er bestaat geen index in de paardenhandel, het is wat de gek ervoor geeft en er wordt gerust op de emotie van potentiële kopers ingespeeld.
De ondoorzichtige markt wordt door mensen uit de sector zelf betiteld als “erger dan de autohandel”. Maar bij de KWPN-selectie gaat het om de Ferrari’s onder de paarden.