Wandelen over de rotsen van Dalí

Cap de Creus is de rots in de branding in het leven van kunstenaar Salvador Dalí. Het gevoel van vrijheid, waar de inwoners van Catalonië zo aan hechten, is er voelbaar.


Als je een natuurgebied menselijke trekjes zou kunnen toedichten, zou vrijbuiter mooi passen bij Cap de Creus. Cap de Creus is in een grillige vorm gestuwd door de Pyreneeën. De landtong lijkt op zichzelf te liggen, los van Spanje en zelfs los van Catalonië.
Voor een groot deel omringd door zee vormt het natuurgebied het meest noordoostelijke puntje van Spanje. Vrij van stad en land en de daar geldende mores.

Kunstenaar Salvador Dalí woonde en werkte er zijn leven lang. Een passende plek voor de kunstenaar zowel geniaal als knettergek werd genoemd. Dalí, die wereldberoemd werd met zijn schilderijen van smeltende uurwerken en olifanten op insectenpoten, groeide dertig kilometer landinwaarts op in het stadje Figueres.

Als kind bracht hij de zomer altijd door in Cadaqués, een wit dorpje aan de kust van Cap de Creus. Later beschouwde hij Port Lligat, een vissersbaai op loopafstand van Cadaqués, als het centrum van de wereld.
En dat terwijl zijn huis daar afgelegen lag in een dicht begroeid, ontoegankelijk gebied waar gesteente en zeewind regeren. Zeker in 1930, toen Dalí er neerstreek met zijn vrouw, muze en manager Gala. Die onbedwingbaarheid van het landschap paste juist goed bij de vrijbuiter die Dalí zelf was.

De rotsen waar hij als kind al overheen klauterde komen eindeloos veel voor op zijn doeken. Als gedaanten met persoonlijke trekjes. Als decorstukken in een leeg woestijnlandschap. Als onderdeel van schilderijen vol zoekplaatjes waar in elk beeld een ander beeld verstopt zit. Zelfs toen hij in artistiek ballingschap in de Verenigde Staten leefde tijdens de Tweede Wereldoorlog namen zijn geliefde Catalaanse rotsen hun plaats in op het schildersdoek.


Als je de rotspartijen met eigen ogen ziet liggen, voel je direct de aantrekkingskracht die ook Dalí voelde. Onverstoorbaar liggen ze in de golven. Ruig en angstaanjagend met hun grillige punten. Als onverzettelijke getuigen van de tijd houden ze stand temidden van de elementen.
Toen Dalí verliefd werd op Gala, nam hij haar mee uit wandelen. Hij biechtte op dat hij haar op de stekelige rotspunten wilde zien vallen en het bloed van haar wonden wilde likken. Een macabere voorstelling van ware liefde. Maar Gala bleek als ambitieuze promotor van het surrealisme – de kunststroming die rond 1920 zijn opgang beleefde - de perfecte partner voor Dalí. Dalí zou de ongekroonde koning van het surrealisme worden.
Dalí en Gala begonnen in een piepkleine vissershut in Port Lligat waar niemand wilde wonen. Telkens als ze een schilderij hadden verkocht, bouwden ze er een stuk aan. Hun woonhuis is een prachtig surrealistisch kunstwerk op zich geworden. Al hun privévertrekken inclusief interieurstukken als een opgezette beer en de schilderspullen van de meester zijn te bezichtigen in het huidige museum Casa Dalí. Door de vensters kan je de baai en de rotsen met eigen ogen zien.

Wandelen over de rotsen van Dalí is baden in een geurzee van rozemarijn, brem en lavendel. Een ingenieus stelsel van handgestapelde muurtjes en uitgesleten paden verraadt een eeuwenoude bewoning van de heuvels die Cap de Creus vormen.
Net als de twee andere dorpen op schiereilandje, Roses in het zuiden en El Port de la Selva in het noorden, heeft Cadaqués haar historische karakter behouden.

In het gebied dat maar zo’n 15 bij 15 kilometer meet, slingeren wandelpaden over flinke kliffen, langs uitgesleten spelonken en door intensief begroeide grasdalletjes. Vanaf het zwarte, kale gesteente waarop de Far de Roses is gebouwd, bekijken kuifleeuweriken nieuwsgierig de bezoekers van het huidige restaurant in de oude vuurtoren.

Cap de Creus is een ideaal woongebied voor vogels en er groeit bijzondere vegetatie. Het is een beschermd natuurgebied waar autoverkeer tot een minimum wordt beperkt en waar hoogbouw geen kans krijgt. Nieuwgebouwde vakantievilla’s worden volgens de regels opgetrokken in natuurlijk materiaal uit de omgeving. Ze lijken uit het gesteente te groeien waar ze tegenaan zijn gebouwd.


Figueres ligt in het vlakke achterland Empordà. Na zijn dood in 1989 is Dalí bijgezet in een torentje van het Teatre Museu Dalí. Het museum dat hij in de jaren zeventig zelf inrichtte om zijn gigantische nalatenschap van kunstwerken goed achter te laten. Dit universum van Dalí kent heiligenbeelden die beginnen te bewegen als je een muntje inwerpt. Juwelen in de vorm van een oog of een mond komen volgens de kunstenaar tot leven door de blik die een aandachtige toeschouwer er op werpt.

Het centrale plein van Figueres doet Frans aan door de gigantische platanen die in de zomer hun aangenaam verkoelende schaduw werpen op de terrassen en een antiekmarkt.
Dat Franse karakter is niet verrassend, een uurtje rijden verderop drinken lokale bewoners alweer Pastis onder hun Franse platanen in havenplaatsje Banyuls sur Mer. Maar ook hier wappert de roodgele Catalaanse vlag. De mensen spreken een Franse versie van het voor ons doorgaans onverstaanbare Catalaans en hebben een Frans-Catalaanse keuken.

Het meest zuidelijke deel van Frankrijk, het departement Pyrénées-Orientales, vormt Frans Catalonië. Uitlopers van de Pyreneeën vormen hier de zigzaggende grens tussen Frankrijk en Spanje.
De wandelaar passeert klimmend en dalend de grens die de bergkammen vormen tussen Frankrijk en Spanje.
Een top heet in goed Catalaans puig, of je nu aan de ene of de andere kant van een roodwitte grenspaal loopt. ’s Zomers glimt de sneeuw op de serieuze toppen van de Pyreneeën je vanuit de verte tegemoet. Elke blik naar het westen brengt een variatie van rotsformaties in beeld die in het zeewater lijken te zijn gevallen en waarop monniken eeuwen geleden hun kloosters bouwden.


Een paar dagen doorstappen brengt je naar Collioure, dertig kilometer ten noorden van de Spaanse grens. De huizen in het Franse havenstadje zijn in vrolijke kleuren geschilderd.
Matisse en Cézanne trokken hier rond 1900 naartoe. Ook deze fauvistische schilders vonden hun inspiratie in het Catalaanse leven en landschap. Alleen schilderden zij compleet andere versies van de rotsen dan Dalí, zacht haast, vol warmte en kleur. Maar altijd in hun vertrouwde grillige vormen.

Als je kijkt naar de kunst die deze streek heeft opgeleverd zie je hoe geliefd het landschap is. En zodra je zelf door de heuvels doolt, begin je te begrijpen waar de onafhankelijkheidsdrang van de Catalanen vandaan komt. Ingeklemd tussen rotsgebergte en zee waren ze op zichzelf aangewezen om te overleven. Daar krijg je een ultiem gevoel van vrijheid voor terug.