http://www.premsela.org/sbeos/images/image.php?nid=3649&actions=resize,65,90;crop,65,90

 

Het Parool 05/11/10

Bewaren of weggooien? Premsela over het belang van vormgeving

Wie wat bewaart, die heeft wat. Maar wat is eigenlijk de moeite van het bewaren waard in deze vluchtige tijd? De Amsterdamse stichting Premsela zoekt vandaag tijdens de nationale conferentie 'Bewaar me' het antwoord.
 

Wat doen we met spullen die niet zo zeer een designwaarde hebben, maar wel een belangrijke bijdrage aan het culturele erfgoed leveren, zoals straatmode of
een scheerapparaat van Philips?

Niet iedereen zal zich druk maken om deze vraag. Maar volgens Timo de Rijk, bijzonder hoogleraar Design Cultures aan de VU, is het een relevante vraag. Cultuurdragers dreigen verloren te gaan, omdat ze niet als zodanig worden gezien.

Om dat probleem het hoofd te bieden, organiseerde de Amsterdamse stichting Premsela, platform voor vormgeving en mode, vandaag de conferentie Bewaar me in Rotterdam. Daar spreken De Rijk en vakgenoten over het verzamelen en archiveren van het Nederlands vormgevingserfgoed.

Vormgeving zit in alles: niet alleen in een designstoel maar ook in een website. De Rijk maakt zich bijvoorbeeld zorgen om ‘prachtige houten printermodellen’ van Océ, nu het Nederlandse bedrijf is overgenomen door Canon. Wie wil het ‘driedemensionale’ archief – een kelder vol oude modellen – bewaren? En waar kan dat überhaupt?

Job Meihuizen, programmamanager bij Premsela, geeft geen antwoord op de vraag wat bewaard moet worden en wat niet. “Die vraag mogen onderzoekers, historici, ontwerpers en vormgevers tijdens de conferentie gaan beantwoorden.”

Meihuizen wil dat mensen zich bewust worden van het bewaren van ‘gewone’ vormgeving. 'Je kan je thuis afvragen of je de asbak van opa wilt bewaren na zijn overlijden. Zo’n voorwerp heeft een persoonlijke waarde.
Maar er zijn veel opa’s en veel vergelijkbare asbakken. Die kunnen als erfgoed van alles zeggen over een tijdperk, over het rookgedrag van een generatie. Moet iedereen dan z’n eigen asbak bewaren? Of volstaat het er nationaal één te bewaren en die tentoon te stellen voor een groot publiek?’

Meihuizen is voorstander van streng selecteren en van samenwerken. “Iedereen weet hoe lastig het is om te selecteren en dingen weg te gooien. Het is een menselijk automatisme om dingen te willen bewaren.
Die drang illustreert dat behoud niet voor niets is. Over het belang van de waarde en dus het behoud van de nalatenschap van grote namen als Gerrit Rietveld of Viktor&Rolf is iedereen het dan ook wel eens, ook geldschieters.”

De Britse filosoof Roger Scruton zwengelt vandaag de discussie aan. De haast reactionaire Scruton, van de school van prins Charles, vindt dat het vanaf de industrialisatie rap bergafwaarts is gegaan met de ontwikkeling van bouwstijlen. Alle moderniteiten zijn wat hem betreft niet de moeite van het behouden waard.
Liever klassieke landhuizen dan hedendaagse bouwwerken van beton met glazen puien en verroest metaal, die veel te oppervlakkig zijn en niet de diepere betekenis dragen van de vroeg-Victoriaanse panden.
De vraag is terecht wat je aan de hand van uiterlijke vormen wilt bewaren om de karaktervorming van een bevolking te tonen. Zijn zaken als een website, een huisstijl of een maquette geen voorbeelden van oppervlakkigheid?

We leven in een vluchtige tijd. De eerste smartphone is nog niet ten volle gebruikt of het volgende type dient zich al aan. Ontwerpen krijgen de tijd niet om zich te bewijzen of ze hebben alweer afgedaan. Meihui- zen geeft toe dat het inderdaad ook gaat om de vraag hoe vormgevers werken en hoe we spullen gebruiken. “In hoeverre houden we daarbij rekening met duurzaamheid, maakbaarheid, vluchtigheid?”

Behoud van vormgeving kan tot ophef leiden. Dat bleek vorig jaar toen de restauratie van De Rotterdam, een icoon uit de tijd waarin reizigers via de Holland-Amerika-lijn de grote plas overstaken, 250 miljoen kostte (en niet de begrote 25). De conferentie is vandaag niet voor niets op De Rotterdam. Want wie moet het behoud van het cultureel erfgoed betalen?
Meihuizen: “Er moet een centrale plek komen, die voor het publiek toegankelijk is. De collectie is nu te versnipperd. Die moet transparant en zichtbaar worden. Dan hoeft niet iedereen voor zich die ene bijzondere postzegel te bewaren.”