Interview JAN Magazine 05|2011

'Ik zat onterecht gevangen tussen moordenaars'

AIVD-medewerkster Heleen de Waal (41) reageerde lacherig toen ze het arrestatieteam in de directiekamer zag. Maar het was bloedserieus; ze werd weggevoerd op verdenking van het lekken van staatsgeheimen. Vijf maanden zat ze onschuldig vast.

 

'Dat ik al twaalf jaar als analist onderzoek deed bij de geheime dienst, was lang niet iedereen in mijn omgeving bekend. Vrienden die me goed kennen wisten het natuurlijk wel. Toen ze weken niets van mij hoorden, vernamen ze via mijn ouders dat ik vast zat. Ze waren verbijsterd. Net als ik zelf.
Donderdag 18 juni 2009 begon als een normale werkdag op kantoor. Een paar dagen eerder was voor die dag een afspraak in mijn elektronische agenda gezet met mijn directeur. Zijn secretaresse had me niet helemaal duidelijk kunnen maken waar de bijeenkomst over zou gaan. Om tien uur ging ik nietsvermoedend naar zijn kamer. Daar trof ik zes onbekende mensen die zich voorstelden als rechercheurs; een officier van justitie; een rechter-commissaris en een hulpofficier. Ze vertelden me dat ik werd aangehouden. Ik zou staatsgeheime informatie hebben gelekt naar het buitenland. Ik reageerde een beetje lacherig, dacht dat ik in een rollenspel was beland. Een van de rechercheurs vroeg of ik van plan was om te vluchten. Nou, dat was ik niet. Daardoor hoefde ik geen handboeien om. Binnen vijf minuten zat ik een auto en werd ik afgevoerd. Ik was totaal overdonderd. Had ik iets fout gedaan tijdens mijn laatste dienstreis naar het buitenland? Ik pijnigde mijn hersens maar ik kon werkelijk niets bedenken. Ik heb mijn werk altijd zorgvuldig gedaan. Op het politiebureau vroeg ik vol ongeloof: ‘Ik hoef toch niet in een cel?’ Ik besefte totaal niet dat ik vanaf dat moment de regie over mijn leven kwijt was.
 

Uren later hoorde ik de aanklacht. Ik zou staatsgeheime informatie hebben gelekt aan journalisten. Het zou onder meer gaan over de rol van de AIVD bij de besluitvorming over de inval in Irak. De Telegraaf is ook te koop in het buitenland, vandaar dat de aanklacht ging over vermeend lekken naar het buitenland. Daar moest ik echt om lachen, het was zo onzinnig allemaal. Bij lekken naar het buitenland denk je op z’n minst aan een spion. Maar dat buitenlandaspect maakte de zaak nog zwaarder. Mij werd voorgehouden dat op deze verdenking een gevangenisstraf stond van minimaal twaalf jaar. Mijn vriend Hans was ook aangehouden. Hans en ik kennen elkaar uit de tijd dat hij nog voor de AIVD werkte. Stukje bij beetje werd mij duidelijk waar de aanklacht op was gebaseerd. Jolande van der Graaf, een journalist van De Telegraaf, had op 28 maart 2009 een artikel gepubliceerd waarin ze stelde dat de AIVD het kabinet onjuist had geïnformeerd over de situatie Irak in 2003. Zij zou zich, volgens het hoofd van de AIVD, hebben gebaseerd op interne stukken die ze tijdens ontmoetingen met mij zou hebben ontvangen. Ik wist dat de aanklacht volslagen onzinnig was. Ik kende die vrouw niet. Ik had geen geheime stukken weggegeven. Natuurlijk niet. Ik werkte al ruim twaalf jaar bij de dienst, vertel mij wat over gevoelige informatie. Mijn collega’s wisten hoe zorgvuldig ik ben, daarom maakte ik me geen zorgen. Er moest sprake zijn van een misverstand. De zaak zou zo zijn opgehelderd en ik zou binnen de kortste keren weer buiten staan. Daar was ik zo van overtuigd dat ik mijn kalmte kon bewaren.
 

De omstandigheden in de politiecel waren ontluisterend. Ik zat vierentwintig uur per dag in een kaal hok met alleen een hard bed en een wc-pot. Toen ik eindelijk een half uurtje mocht luchten, bleek de luchtplaats een benauwd en rokerig hok te zijn waar in plaats van een plafond een open rooster zat. Ik mocht de eerste dagen niet douchen en ik had geen schone kleren. Ik kreeg slecht te eten. Ik mocht niet lezen, geen radio luisteren, geen tv kijken. Ik verloor elk besef van de tijd. En ik mocht niemand spreken. Het bleek dat ik ‘in alle beperkingen’ zat, zoals dat heet. Vanwege de zware straf die rustte op mijn verdenking was het toezicht zo streng. Twee rechercheurs begonnen mij te verhoren en zeiden: ‘Besef je wel dat je wordt verdacht van een zeer ernstig misdrijf? Ga er maar vanuit dat je twaalf jaar in de gevangenis blijft.’ Dat besef had ik totaal niet. In tegendeel. Ik bleef heel nuchter en was vooral bezig met praktische dingen. Thuis stond de koelkast vol met eten dat zou bederven, de planten moesten water. Er moesten allerlei afspraken worden afgezegd. Vanuit mijn cel wilde ik die dingen even regelen. Maar ik mocht niemand bellen. Die rechercheurs moeten gedacht hebben dat ik niet goed wijs was. Ik had toen nog geen idee wat me allemaal boven het hoofd hing.

De eerste dagen werd ik steeds opnieuw verhoord, soms wel zes uur achter elkaar. Ik werd enorm onder druk gezet. ‘Waar was je op die en die datum om 15.15 uur?’ ‘Weet je wel dat je vriend toen en toen een afspraak had met een journalist van De Telegraaf?’ Ze probeerden mijn vertrouwen in mijn vriend te breken, net als mijn moraal. Ik gaf steeds minder uitgebreid antwoord, het leek allemaal toch niets uit te maken. Ik was aangehouden op basis van een ambtsbericht dat was opgesteld door de AIVD. De verdachtmakingen die daarin stonden namen de rechercheurs voor waarheid aan. Ondertussen had ik heel andere zaken aan mijn hoofd. Ik maakte me zorgen om mijn ouders, mijn vriend, zijn kinderen. Maar ik moest scherp blijven, als ik ook maar één keer een ander detail noemde dan in een eerder verhoor, pakten die twee me keihard aan. “Vorige keer zei je iets anders. Hoe zit het nu, Heleen?” Doodmoe werd ik ervan. En ik vond het zo onzinnig. Als die rechercheurs hun onderzoek goed zouden doen, zouden ze meteen snappen dat ze de verkeerde voor zich hadden. Ze zouden zelf inzien dat de AIVD het bij het verkeerde eind had.
 

Na een week werd besloten dat ik naar de penitentiaire inrichting voor vrouwen in Breda moest. Ik zou nog zeker veertien dagen moeten vastzitten. Daar mocht ik boeken lezen, dat hielp aanzienlijk om de dagen beter door te komen. Vastzitten en helemaal niets om handen hebben is om gek van te worden. Beetje bij beetje kreeg ik via mijn advocaat inzage in delen van het dossier. Waarop de verdenkingen waren gebaseerd kreeg niemand te zien. Dat was namelijk geheim. Een rechter-commissaris beoordeelde alleen de rechtmatigheid van mijn aanhouding en detentie. De narigheid was dat de verdenking zwaar genoeg was om mijn detentie tussentijds twee keer met dertig dagen te verlengen. Het was ontzettend frustrerend dat andere vrouwen soms na drie weken alweer vrij kwamen terwijl ze vastzaten voor misdrijven waarbij ze grof geweld hadden gebruikt. Daar staat slechts een paar jaar gevangenisstraf op, zij mochten thuis hun strafzaak afwachten. Af en toe schoot ik ook wel in de lach om de absurditeit dat ik als een gevaar werd gezien voor de samenleving. Het idee: ík staatsgevaarlijk. Maar ik zat met mijn kantoorhandjes wel tussen veroordeelde moordenaars en drugskoeriers.

Contact met anderen was nog steeds verboden, ik sprak dus niemand. Iedere dag schreef ik op wat er gebeurde, ik wilde vastleggen wat mij overkwam. Het was allemaal zo onwerkelijk. Ik was plotsklaps uit mijn leven gerukt en in een vrouwengevangenis beland. Dat ik mijn ervaringen als gedetineerde wilde delen wist ik toen al. Pas na ruim zes weken mocht ik eens per week een uurtje bezoek ontvangen. Ik heb een hechte vriendengroep overgehouden aan mijn studietijd. Ze hebben mij, en mijn ouders, ongelooflijk gesteund. Toen ik na bijna twee maanden eens per week een uurtje bezoek mocht hebben, zijn ze stuk voor stuk langs geweest in Breda. In die tijd merkte ik wat het waard is als je familie en vrienden hebt die je door dik en dun steunen. Dat hield mij echt op de been. Een vriendenstel heeft hun hele zomervakantie aangepast aan onze bezoekuren en zittingsdagen.
Op 28 september was er een eerste pro-formazitting. Daar had ik erg naartoe geleefd. Eindelijk zouden rechters zich over mijn zaak buigen. Die zouden meteen inzien dat ik ten onrechte werd verdacht. Dan zou de nachtmerrie eindelijk voorbij zijn. Maar ik werd niet vrijgelaten. Toen ik dat hoorde, zat ik helemaal stuk. De verdenkingen bleven overeind en mijn gevangenhouding werd opnieuw verlengd. Ik moest terug naar mijn cel in Breda. Pas toen besefte ik dat ik in een ongelijke machtstrijd verwikkeld was. En ik weet niet wat ik erger vond. Nog langer de verschrikking ervaren van onvrijheid, of merken dat mijn werkgever zich zo tegen mij keerde. De staat was opeens mijn vijand.

Nadat ik mijn studie culturele en politieke antropologie in Amsterdam had afgerond, ben ik bij de BVD, de latere AIVD, gaan werken. Ik heb het al die jaren de leukste baan van Nederland gevonden. Ik deed afwisselend en zelfstandig werk. De geheimhoudingsplicht is een gegeven waar ik me altijd als vanzelfsprekend aan heb gehouden. Doordat de buitenwereld niet begrijpt hoe het eraan toe gaat, is het onderlinge saamhorigheidsgevoel extra sterk. Ik was bevriend geraakt met collega’s. Maar collega’s die na mijn aanhouding contact met mij opnamen riskeerden schorsing of ontslag. Tijden mijn detentie kreeg ik een brief waarin aangekondigd werd dat ik disciplinair ontslagen zou worden. De rechtszaak werd niet eens afgewacht, de AIVD had mij al veroordeeld. Ik werd na twaalf jaar trouwe dienst als oud vuil op straat gezet.

De vader van een vriendin van mij was vreselijk verontwaardigd over de hele gang van zaken. Hij zag in dat ik het met zomaar een advocaat niet zou redden tegen de geheime dienst. Hij heeft toen Inez Weski bij de zaak gehaald. Een geweldige, cruciale zet. Weski is een gerenommeerd strafpleiter, zij beet zich vast in het dossier en legde feilloos de hiaten in het onderzoek bloot. Toen drong de omvang en ernst van de zaak echt tot mij door.

In het bewuste artikel in De Telegraaf was een onjuist en negatief beeld geschetst van de AIVD. Na die berichtgeving werd paniekerig op zoek gegaan naar een lek. De leiding van de dienst was er namelijk van overtuigd dat het Telegraaf-artikel leek op een intern stuk. Dus moest er gelekt zijn. Een pijnlijk simpele gedachtegang. Want het ging om informatie uit 2003 die al op veel plekken buiten de AIVD bekend was. De dienst luisterde journalisten af. En toen bleek dat Hans die journalist van De Telegraaf kende. Toen was voor de dienst al snel één en één twee. Terwijl dat contact was ontstaan via een kennis van Hans en over volstrekt andere zaken ging, zoals later uit het onderzoek ook bleek. Ik wist bovendien niets van dat contact, Hans had het daar nooit over gehad.
Het onderzoek van de AIVD was nogal eendimensionaal. Een paar mensen bepaalden de richting van het onderzoek en leverden tevens conclusies aan. Op basis van onvolledige en gekleurde informatie werd mijn vermeende betrokkenheid aangetoond. Mijn verklaringen vond de officier van justitie ongeloofwaardig, al hadden de rechercheurs wel hun twijfels over mijn betrokkenheid. Maar ik had de schijn tegen. Zelfs de rechters kregen geen inzage in de onderliggende stukken van de dienst, want dat was allemaal staatsgeheim. Dat vond ik echt onverteerbaar. Hoe kunnen rechters beoordelen of de AIVD gegronde conclusies trekt als zij niet de informatie mogen inzien waarop die conclusies betrekking hebben?
 

Het idee nog langer vast te moeten zitten werd ondraaglijk. Ik was aldoor rustig gebleven, ik was niet met modder gaan gooien en ik was steeds beleefd geweest tegenover de rechercheurs. Ik zat inmiddels al maanden in een kleine en verouderde cel die bedoeld was voor maximaal zes weken detentie. Mijn geduld raakte op. De wetenschap dat er 4 november een extra zitting was om te pleiten voor vrijlating maakte me strijdbaar en hoopvol, ik sloeg me door nog weer extra weken gevangenschap heen. Een dag na die zitting hoorde ik dat mijn voorarrest werd opgeheven. Binnen een uur stond ik letterlijk op straat. Ook Hans kwam die dag vrij. We mochten naar huis om de behandeling van onze strafzaak in vrijheid af te wachten. Eindelijk.
De opluchting was overweldigend. Ik was zo gelukkig dat ik me weer vrij kon bewegen. Weg uit dat hok. Weg uit die vreselijke omgeving. Het was zo goed om mijn ouders weer te zien, die hadden ook in een hel geleefd en tegelijkertijd mij fantastisch bijgestaan. Ik genoot volop van de kleinste dingen. Het was een verademing dat ik weer de regie terughad over mijn eigen leven. Pas maanden later kwam de boosheid. Door alles wat mij is overkomen, is mijn beeld van de dienst veranderd. Ik heb een schaduwzijde van het werk van ‘mijn dienst’ leren kennen waarmee ik nooit eerder was geconfronteerd. Een verkeerde inschatting van de AIVD maakt mensenlevens kapot. Dat is de andere kant van de medaille.

Ik heb altijd geweten dat wij geen schuld hadden in de zaak die tegen ons was aangespannen. Op 14 juli 2010 zijn Hans en ik vrijgesproken. Het OM is destijds tegen deze vrijspraak in hoger beroep gegaan en dat zal nog een keer dienen. Ik ben nog in een arbeidsrechtelijke zaak verwikkeld. Sinds mijn ontslag heb ik geen salaris meer ontvangen. Mijn disciplinair ontslag betekent dat ik geen recht heb op een uitkering en dat ik nooit meer in overheidsdienst kan werken. Een driedubbele straf dus. Dat is een hard gelag dat ik als zeer onrechtvaardig ervaar. Rehabilitatie van mijn goede naam is mij veel waard.

De gebeurtenissen hebben een onomkeerbaar effect gehad op mijn leven. Er is een bepaalde onbevangenheid in mij kapotgemaakt. Ik heb ook veel geleerd, over mezelf en over anderen. Vriendschappen hebben nog meer betekenis gekregen. Ik leef bewuster, blijf in alles wat ik doe dichter bij mezelf en stel me nooit meer zo dienstbaar op als tijdens mijn jaren bij de AIVD. Mijn besef van vrijheid is intens, maar is ook voor altijd verbonden aan de pijnlijke onvrijheid die ik vijf maanden lang heb ervaren. Een huis van bewaring is echt geen hotel. Er heerst een sfeer van ellende. Ik heb gezien dat vrouwen langdurig in voorarrest zitten zonder dat ook maar iemand zich om hen bekommert. Als je het mentaal niet volhoudt, ga je er in verhoren aan onderdoor. In Nederland zijn onschuldige verdachten veroordeeld, daar ben ik van overtuigd. Dat inzicht laat mij nooit meer los. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet denk aan vrouwen die in de gevangenis zitten. Pas als je in onvrijheid hebt geleefd, weet je hoe fantastisch het is om vrij te zijn. Dan pas heeft vrijheid echt betekenis.’