Logeren in Brits erfgoed

 ‘Op mijn zeventiende arriveerde ik met de trein uit Londen op een klein dorpsstation hier in Suffolk. Pamela Matthews kwam me halen, ik vond haar een rare verschijning, ze droeg een sjaal om haar haar en was omringd door acht ontembaar enthousiaste Jack Russel honden. We reden in haar oude Volvo naar haar landhuis Cavendish Hall, net buiten het dorpje Clare. Ik was ingehuurd als kok voor de zomerweken. Maar ik ben nooit meer weggegaan.’
Katie Johnson is inmiddels negenenveertig, ze heeft haar bazin Pamela Matthews overleefd. Katie woont in het voormalige koetshuis, onderaan de oprijlaan die naar Cavendish Hall voert. Schapen begrazen de glooiende grasvelden, boven op de heuvel pronkt het huis, een timpaan op vier Grieks ogende zuilen belooft een groots welkom. In dit huis zijn in de jaren zestig en zeventig de nodige feesten gevierd door de laatste bewoners. Pamela’s echtgenoot - de Amerikaanse journalist Thomas Matthews die voor Time Magazine werkte en de biografie schreef van onder meer T.S. Elliot - was volgens Katie een ‘gentle giant’ die graag vrienden en familie uit de Verenigde Staten over de vloer had.

Katie duwt een kruiwagen vol groenteschillen het pad af richting de wei. Daar juichen Porgy en de andere varkens hun vijf-uur snack luid toe. ‘Ik heb Pam ooit twee varkentjes cadeau gedaan. Ze was dol op die beesten, ’s avonds kwamen ze binnen in de salon met haar televisie kijken.’ Wijzend naar de zijkant van het huis zegt Katie: ‘Pam’s werkkamer was daar. Ik geloof dat daar nu de keuken is hè?’ Sinds het overlijden van Pamela Matthews in 2005 komt haar trouwe werkneemster en vertrouwelinge niet meer binnen. Liever koestert Katie haar herinneringen zoals ze waren zonder dat er nieuwe bij komen die haar beeld van vroeger bezoedelen. Maar de kinderloze Pamela Matthews wilde haar geliefde woonhuis in leven houden. Daarom besloot ze kort voor haar dood Cavendish Hall na te laten aan National Landmark Trust.
National Landmark Trust opende Cavendish Hall in mei 2010 voor de verhuur. Als vakantiehuis is het nu geschikt voor twaalf gasten die feestelijke diners kunnen aanrichten aan de vijf meter lange mahoniehouten tafel in de eetkamer. Achter een deur in het voorname eetvertrek schuilt de chamberpot; een pispot waarin heren van weleer hun hoge nood kwijt konden zonder hun feestmaal te verlaten, het personeel verwijderde de gevulde pot discreet uit de kast.
Tegenwoordig bestaat het personeel uit vier housekeepers die systematisch door het huis gaan met hun poetslappen zodra de bezetting van het huis wisselt. De laatste gasten hebben de drie badkamers en alle andere vertrekken keurig achtergelaten, stelt huishoudster Linda tevreden vast. Voor de volgende gasten wacht alvast een nieuwe bos bloemen op de keukentafel en een kannetje melk in de koelkast voor de afternoon tea. ‘Het schijnt dat Mrs Matthews werkte voor MI6,’ vertelt Linda. ‘de geheime dienst waar James Bond ook bij zat. Ze heeft veel betekend voor het dorp, ze organiseerde jaarlijks een groot feest op haar landgoed waar iedereen welkom was. Ik vind het een hele eer dat ik hier mag werken. Dankzij ons werk en het bezoek van steeds wisselende gasten blijft deze plek in leven.’

 

Monumentaal herstel
Dat is precies de bedoeling van eigenaar en beheerder National Landmark Trust. Deze organisatie werd in 1965 opgericht door Sir John Smith, bankier en liefhebber van architectuur. Als bestuurslid van het National Trust – de Britse Monumentenzorg - hielp hij monumentale gebouwen te behouden in heel Groot-Brittannië. Maar dat was hem niet genoeg. Te veel bijzondere landhuizen of andere historisch gezien belangrijke bouwwerken vielen buiten de strikte regels van de monumentenredding. Daarmee ging cultureel erfgoed teloor dat komende generaties dan volledig zouden moeten missen, vond Smith. Gedreven door zijn hartstochtelijke waardering voor zorgvuldig opgemetseld steen en geholpen door zijn familiekapitaal kocht Smith bijzondere gebouwen op die hij zo redde van verval of de sloophamer.
Gothic Temple, een uurtje ten noordwesten van Londen was het eerste project en is nog steeds een pronkstuk van de stichting. Logees kunnen er languit op de comfortabele bank genieten van de plafondschilderingen op het koepeldak. De tempel was in verval geraakt nadat de erfgenamen van Lord Cobham diens landgoed Stowe rond 1920 verkochten aan een kostschool, de tempel werd gebruikt voor wapenopslag. John Smith kreeg in 1966 een langlopend leasecontract om het buitengebouw te onderhouden en exploiteren. ‘In de jaren zestig vierde de opkomst van betonbouw hoogtij,’ vertelt Katherine Oakes van National Landmark Trust tijdens een open dag op het landgoed Stowe. ‘Historische en architectonisch waardevolle panden kregen in die tijd hooguit aandacht als de sloopbal in de buurt was.’
Smith had wellicht destijds de even visionaire als eenvoudige oplossing voor een slim verdienmodel van de te behouden panden. Ze moesten onderdak bieden aan vakantiegangers die de sfeer en waarde van hun tijdelijke optrekjes zouden waarderen. Zo konden de panden hun eigen onderhoud terug verdienen. Dat had Sir Smith goed gezien. Misschien had hij die combinatie van avontuurlijke en zakelijke slimheid te danken aan zijn voorvader, de negentiende-eeuwse reiziger Thomas Cook. National Landmark Trust bezit inmiddels 190 Landmarks, zoals de huizen kortweg genoemd worden. John Smith overleed in 2007 maar zijn stichting bewaakt het erfgoed van Groot-Brittannië nog steeds met verve. De huizen zijn geliefd bij vakantiegangers die zich graag onderdompelen in de sfeer van een rijk verleden.


Ontwaken als jachtopziener
Niet alleen voorname landhuizen zijn omgevormd tot vakantiehuizen. Keepers Cottage lijkt nog het meest op het huisje van Hans en Grietje. Met dakpannen als smakelijke plakken koek heeft het huisje een lieflijk voorkomen. Omringd door varens en naaldbomen ligt het verscholen in de bossen van het Shuttleworth Estate. De intieme zitkamer, de eetkamer met houten meubelen en de drie slaapkamers boven hebben ieder een eigen haard. In de schuur staat een pingpongtafel en in het gastenboek vertellen gasten hoe heerlijk ze hier met hun gezin, geliefde of ouders hebben vertoefd. Toen de industrieel Joseph Shuttleworth zijn kapitaal halverwege de negentiende eeuw zag groeien dankzij zijn succesvolle handel in stoommachines, liet hij Keepers Cottage bouwen als een van de vele pronkstukken op zijn landgoed. Tegelijk wilde hij er de levensomstandigheden van zijn jachtopziener mee verbeteren. Tegen de tijd dat National Landmark Trust de ruïnes ervan aantrof in 2001, herstelde de organisatie niet alleen het huisje maar ook de bijgebouwen: kennels voor de jachthonden, hokken voor fazantenkuikens, een broodoven en een washok.
Op vijf minuten loopafstand staat Queen Ann’s Summerhouse, eveneens een Landmark en als eerbetoon genoemd naar de koningin die de vorige landgoedeigenaar in de Ridderstand verhief. Het ronde gebouw is een ideale plek voor geliefden. Die kunnen in de loft-achtige begane grond slapen en wonen, in het souterrain romantisch baden en vanaf het dak met een glas in de hand staren over de lager gelegen landerijen terwijl eekhoorntjes op enkele meters afstand boompje wisselen.
De pub The Hare & Hounds ligt op loopafstand van de twee Landmarks van Shuttleworth. ‘Zaklamp meenemen!’ is een dringende tip in het gastenboek voor nieuwe gasten. In de pub ontspant een toekomstige piloot boven een bord dampende curry. Voor zijn vliegbrevet moet hij de volgende dag een laatste theorie-examen halen. Zijn opleiding neemt de examens af in het Shuttleworth College waar ook computerfabrikant Acer zalen huurt voor een congres. Op die manier genereert de school inkomsten die hard nodig zijn voor het onderhoud van haar gebouwen en grasvelden. Binnen herinneren portretten aan Richard Shuttleworth, de laatste erfgenaam die in 1940 omkwam bij een vliegongeluk. Zijn moeder zag er op toe dat zijn gigantische nalatenschap werd besteed aan educatieve doelen.

 

Traditie met toekomst
‘Het lijkt me in onze tijd eerder een last dan een lust om van adel te zijn,’ zegt Kasia Howard, educatief medewerker bij National Landmark Trust. Ze klautert over de brokstukken die rondom de ruïne van Astly Castle liggen. Werklui hebben alle soorten en maten stenen gesorteerd en opgestapeld. ‘Landgoederen onderhouden is een onbetaalbare bezigheid geworden. De tradities die erbij horen gaan langzaam maar zeker verloren. Hoewel nouveau riches zodra ze kapitaal vergaard hebben als eerste een paleis kopen, kijk maar naar Beckingham Palace,’ geeft Howard lachend een voorbeeld van een uitzondering op de regel, doelend op het huis van het Britse celebrity-koppel David en Victoria Beckham. ‘Maar wat er van de tradities over is, is zeer de moeite waard om over te dragen aan nieuwe generaties.’ Dat vindt niet alleen Kasia Howard, het valt officieel onder de verantwoordelijkheden van National Landmark Trust.
De stichting is voor een groot deel van haar inkomsten afhankelijk van subsidies en donaties van het Heritage Lottery Fund. Omdat de financiering daardoor voor een flink deel uit belastingcenten voortkomt, geldt de voorwaarde dat de stichting serieuze educatieve taken moet vervullen. In de praktijk betekent dit dat Kasia lesmateriaal voor schoolkinderen uit de buurt van het kasteel in Astly ontwikkelt en voorlichtingsbijeenkomsten voor omwonenden en betrokkenen organiseert. Ook worden studenten en werklozen betrokken bij de restauratie, ze leren ambachtelijke bouwtechnieken toepassen die anders zouden uitsterven. Op alle mogelijke manieren wordt zo het nuttige met het aangename gecombineerd. Per Landmark wordt gekeken hoe de aankoop en restauratie moet worden bekostigd en gerealiseerd.
Astly Castle is een prestigieus project waar de stichting al vijftien jaar mee bezig is. De voortgang heeft jaren stilgelegen wegens geldgebrek. Voorman David en zijn mannen hebben juist hekken en steigers geplaatst, ze zijn klaar voor de volgende en laatste bouwfase. ‘De vleermuizen zijn nu allemaal weg waardoor we ook groen licht hebben van de natuurbeschermingsorganisatie. Soms vraag je je af welk nut alle discussies hebben over authenticiteit en hoe het pand is terug te brengen in de oorspronkelijke staat,’ aldus de laconieke voorman die voor dit project speciaal is verhuisd naar Warwickshire in de Midlands. ‘Want een later aangebouwde kamer in Victoriaanse stijl uit 1850 is voor hedendaagse begrippen heel klassiek en bijzonder. Maar het hoort niet bij de oorspronkelijke Tudorstijl van de 16e eeuw waarin dit pand zijn oorsprong vindt. Moet je dan cement gaan nabootsen van vijfhonderd jaar terug of van honderdvijftig jaar terug?’ Hoe dan ook zal de slotgracht in oude glorie worden herstelt, net als de siertuin. De ruïne wordt met de restauratie niet alleen teruggebracht in oorspronkelijke staat, er komen ook spectaculair grote glazen puien en een hypermoderne lift. De combinatie van klassiek en modern in dit project is uniek voor National Landmark Trust. Want de inrichting van alle Landmarks is landelijk, typisch Engels, met servies waarop ouderwetse taferelen zijn afgebeeld en antieke sidetables tegen de muur. Eind 2011 moet Astly gereed zijn voor gebruik.
 

Spelen met tijd
Geen Landmark is hetzelfde. Gezeten aan het bureau in de bibliotheek van August Pugin kan je zonder maar een stap te verzetten een intensieve reis maken door verschillende tijdperken. De architect August Welby Pugin (1812-1852), bedenker en oud-bewoner van The Grange in kustplaats Ramsgate, was gewaagd bezig in zijn tijd. En dat terwijl hij zo’n driehonderd jaar teruggreep, naar Middeleeuwse ideeën. Pugin bekeerde zich in 1835 tot het katholicisme toen dat geloof verboden was in het protestante Groot-Brittannië. De architect had een enorme liefde voor gotische, kerkelijke architectuur uit de Middeleeuwen. Een katholieke gemeenschap was zijn ideaal en aangezien de man excessief veel energie had – tegenwoordig zou hij wellicht als manisch depressief gediagnosticeerd worden - pakte hij de zaken groots aan.
Voor zijn gezin creëerde Pugin zijn eigen Middeleeuwse idylle compleet met een privé-kapel naast de keuken, een goedgevulde bibliotheek en een kerk voor het dorp. Dat huis, The Grange, is niet alleen te huur als vakantiehuis voor acht personen. Op woensdagmiddag is het geopend voor publiek, eventuele logés wandelen meestal geïnteresseerd mee met gids Catriona. ‘Leed Pugin aan grootheidswaan?’ vraagt een van de bezoekers met een blik op het behang dat in vele vertrekken de blik vangt. ‘Nee,’ zegt Catriona, ‘de behangprint is gebaseerd op het familiemotto van Pugin.’ De spreuk En Avant, ofwel Voorwaarts wordt in combinatie met een vogel uit het familiewapen en Pugins initialen AWP telkens herhaald. ‘Pugin ontleende zijn identiteit aan zijn familietraditie en die wilde hij graag uitdragen.’ Zo barst het in huis van symbolische decoratieve elementen. Toen de katholieken in 1829 gelijke rechten kregen in Groot-Brittannië, vroegen zij Pugin al hun kerken te ontwerpen. ‘Maar de tuin is niet voor niets zo stevig ommuurd, het gezin werd regelmatig bekogeld door behoudende dorpelingen.’
Binnen de muren lijkt de tijd stil te hebben gestaan, de kloosterlijke rust is nog altijd aanwezig in The Grange. Buiten zie je de tekenen des tijds die horen bij een havenstad waar vrachtwagens af en aan rijden en waar volop Fish&Chips te krijgen is. Dichtbij gelegen luchthavens, treinstations en de eurotunnel brengen ‘het continent’ dichtbij. Geschiedenis, heden en toekomst smelten zo samen in een vakantiehuis waar met het comfort van nu valt te genieten van de romantiek uit vervlogen tijden.