Beeld en Geluid Oeuvre Award voor Ireen van Ditshuyzen

Televisie- en documentairemaker Ireen van Ditshuyzen heeft in veertig jaar mede het Nederlandse tv-landschap gevormd. Met tientallen films en programma’s; soms snel en vermakelijk, veelal grondig en aangrijpend. Maandag ontving ze de Beeld en Geluid Oeuvre Award.


‘De tijd van RUR en TV3 was opwindend. Wekelijks of dagelijks op tv hoge kwaliteit brengen op een lichtvoetige manier. Het gaf een kick om met een team zo snel en scherp te werken. TV3 maken was pionieren, we moesten de nieuwe zender Nederland 3 een eigen gezicht geven. Ik was er doodzenuwachtig over aan het begin. 

Alle kansen die ik heb gekregen heb ik gegrepen. Ik vind kansen krijgen zo ongeveer het leukste van het leven. Dankzij kansen kun je je uitdrukken, je ontwikkelen, bijleren. Zo kun je de geest proberen te intensiveren. Neem nu de viering van 50 jaar bevrijding na de Tweede Wereldoorlog. Mij werd gevraagd een live uitzending in Carré te produceren. Met een prachtteam met onder meer Judith Herzberg, Paul Koek en Kitty Courbois. Zit ik die avond plotseling naast een oude generaal uit Canada. Ik had vooraf nooit kunnen bedenken dat ik eens met een oude generaal uit Canada in contact zou komen.

De prijs die ik heb gekregen vind ik waardevol. De jury van de Beeld en Geluid Awards wil het vak televisie maken promoten, en laten zien dat het hard werken is. Televisie draait niet alleen om amusement, spelletjes en kunstjes. Om een goed programma te maken moet je veel uren draaien.
Ik heb ontzettend hard gewerkt. Het aantal uren dat ik in een project steek, komt nooit overeen met het aantal betaalde uren. Dat hoort erbij als je mooie dingen wilt maken. Ik heb er altijd van kunnen leven. Maar jonge documentairemakers kunnen zich dat momenteel absoluut niet permitteren. Er is veel te weinig geld beschikbaar voor grondig gemaakte programma’s.
De waarachtigheid van gedrag, van een plek, van verhoudingen tussen mensen kun je nooit vastleggen in twee filmdagen. Ik zoek continuïteit in iemands gedrag en beweegreden. Om inzicht te krijgen in processen moet je tijd en ruimte nemen. Dan ga je zien wat er werkelijk speelt. Dat kan je bijvoorbeeld gaan begrijpen waarom iemand keuzes maakt die in eerste instantie vervelend overkomen. Pas als je je kunt identificeren met een ander, kan je gaan nadenken over wat je ziet en beleeft.

Ik hoop met mijn films mensen bewuster te maken. Het is dus van belang dat wat ik toon betrouwbaar is. Aan ‘Onze kust’ heb ik met tussenpozen zeven jaar gewerkt. Het portret ‘Johan Simons: Zeg dat het goed komt’ over theaterregisseur Johan Simons heeft me drie jaar beziggehouden. Door de tijd te nemen, kan ik ontwikkelingen die er toe doen goed weergeven.
Film is zo’n mooi medium om mensen te laten ontdekken wat er om hen heen gebeurt. Goed kijken, met aandacht, is belangrijk. Ik wil dat kijkers analyseren wat ze zien. Dat probeer ik al veertig jaar met mijn films en programma’s te bereiken. Het is geweldig wat je aan de hand van beelden kunt overbrengen. Ik heb de kracht van het beeld zelf leren waarderen toen ik in 1971 bij de VPRO begon met televisie maken. Aanvankelijk dacht ik als ik iemand iets goed liet uitleggen voor de camera, dat ik dan het verhaal wel had. Ik heb die eerste jaren geleerd dat beelden veel meer vertellen. Een beeld dat je ziet blijft veel beter hangen dan de woorden die iemand uitspreekt. Woorden kunnen richting geven aan een verhaal.
De studentenbeweging waarin ik tussen 1967 en 1971 zeer actief was, draaide om het woord. In die tijd werd eindeloos vergaderd. Dat is mooi, maar ook om gek van te worden. Ik ben heel praktisch, ik wil dingen doen zodat er echt iets gebeurt. Dus ik zette allerlei actiegroepen op.
In de Amsterdamse Dapperbuurt, waar ik destijds zelf woonde, hebben we met een actiegroep van ’70 tot ‘79 gewerkt aan behoud en verbetering van de buurt. Er dreigde kaalslag. Ik deed huisbezoeken bij bewoners van door sloopplannen bedreigde huurwoningen. Daar zag ik hoe het dagelijks voelt als iemand weinig kansen heeft. Wat doe je als halverwege de maand het geld op is om vlees te kopen? Dankzij dat werk heb ik inzicht opgedaan in wat maatschappelijke verhoudingen wérkelijk zijn. Het was een ongelofelijk mooie tijd. Ons plan, ‘Bouwen voor de buurt’, is na jaren volhouden overgenomen door de gemeente. En de Dappermarkt is gebleven.

Mijn activistische en praktische instelling heb ik achter me gelaten in mijn werk als programmamaker voor televisie. Dat was lastig in het begin. Al tijdens de research voor films had ik al zin om in te grijpen. Ik zie vaak welk proces mensen met elkaar doormaken zonder dat ze zelf in de gaten hebben wat dat met hen doet. Dat proces kan ik als programmamaker natuurlijk niet gaan beïnvloeden. Als ik met een cameraman sta te draaien tijdens een inspraakavond kan ik niet van alles roepen. Ik moet me inhouden maar dat kan ik goed. Ik benut de gedachten die ik op zo’n moment heb pas later, zodra ik met het verzamelde beeldmateriaal de uiteindelijke documentaire ga monteren. Het helpt me verschillende lijnen van een verhaal in beeld te brengen.
Met mijn films kan ik naar mijn idee wel processen versnellen. Bij praktisch al mijn documentaires ontwikkel ik masterclasses of lesbrieven voor het onderwijs. Ik probeer mensen die vanuit verschillende hoeken betrokken zijn bij een thema bij elkaar te brengen, bijvoorbeeld in werkgroepen. Zo wil ik de impact van wat ik maak vergroten en mensen op verschillende niveaus aan het denken zetten over een onderwerp. Dat is mijn doel, zo heb ik altijd gewerkt. De kern blijft de documentaire zelf. De juiste personen zoeken en verhalen verzamelen is de kracht van een documentaire. Het draait om de mensen die in beeld komen.

Ik heb altijd wel iets persoonlijks met de onderwerpen van mijn films, die verbinding is nodig. De fascinatie voor hoe wij in Nederland omgaan met de zee is versterkt sinds ik dichtbij de Schoorlse duinen woon. Daar is ‘Onze kust’ (2005) uit voortgekomen. Toen mijn broer een paar jaar geleden ging dementeren, vroeg ik me af wat ik voor hem kon doen behalve hem vaak opzoeken. Ik merkte dat de huisarts van mijn broer slecht geïnformeerd was over de ziekte, toen wist ik wat ik kon doen: mensen beter informeren over de ziekte. Twee jaar geleden ben ik begonnen met de research en financiering van de tweedelige documentaire ‘Dementie en dan?’. Momenteel zijn we aan het draaien.
Iemand die dementeert, wordt al snel afgeschreven. Het is onvermijdelijk dat je als betrokkene langzaam afscheid neemt van wie de persoon was voor de dementie. Maar de aandacht en zorgen gaan te veel uit naar wat níet meer kan. Terwijl iemand met dementie ook nog van alles wèl kan. Mensen die te maken hebben met dementie moeten dat allemaal ontdekken. Daarom wil ik mooie voorbeelden laten zien. Ik ben met een hoofdpersoon uit de documentaire naar een Alzheimercafé gegaan over de gunstige uitwerking op de geest van muziek maken en luisteren. Het is fascinerend om te zien dat een demente vrouw die thuis suf op de bank zit achter de piano verandert in een stralend mens.
Aan de hand van de hoofdpersonen in ‘Dementie en dan?’ laten we de vernieuwingen zien in de zorg en wetenschap op het gebied van deze ziekte. De levens van die dementen worden niet langer gevuld met thuiszitten wachten, hulpverleners die langskomen en kinderen die zich zorgen maken. Er gebeurt veel om de kwaliteit van leven te bevorderen. Ik volg een jong demente die nog van alles kan. Hij heeft een welwillende werkgever en werkt nog halve dagen. Zulke positieve verhalen wil ik overbrengen. Ik probeer heel concreet met beelden informatie toe te voegen. Ik kies voor een integrale aanpak waarin ik wetenschap en zorg bij elkaar wil brengen. Vergrijzing en dementie hoef je niet als schrikbeeld te zien. Je moet kijken wat je eraan kunt doen.’