Confucius - coach uit China

Hij is al meer dan 2500 jaar populair. En hoewel hij geen probleemoplosser was, is de Chinese samenleving voor een groot deel gebaseerd op zijn leer. Hij stelt namelijk vragen en helpt je met je (innerlijke) zoektocht.

 

Vrijwel iedereen kent de neiging om antwoorden te zoeken in een heilig boek, bij religie of bij een goeroe. Leerlingen en bestuurders deden dat ook bij Confucius, maar antwoorden deed hij niet. Toch waren zijn reacties kennelijk zo raak dat het Confucianisme zich tot een leer heeft ontwikkeld met vele volgelingen. De Chinese samenleving is praktisch altijd Confucianistisch geweest, zoals die van ons is gebaseerd op de Christelijke traditie. De grondlegger van de Chinese leer is geen godheid maar een historische figuur die rond 500 jaar voor Christus leefde in China. Confucius spoorde zijn leerlingen aan antwoorden op hun problemen te zoeken in zichzelf. De meester diende bij die innerlijke zoektocht meer als coach en vragensteller dan als een almachtige die weet hoe het moet. Door zijn leerlingen werd hij aangesproken als Kong Fuzi, leermeester Kong. Voor ons is dat via de Latijnse vertaling Confucius geworden.

Deze leermeester voerde gesprekken met zijn leerlingen en de weerslag daarvan vormt vandaag nog steeds de leidraad voor Confucianisten. Het zijn de Lunyu ofwel de Gesprekken: korte dialogen waarin de meester reageert op vragen of problemen van zijn leerlingen. Confucius baseert zich op riten die al voor zijn tijd bestonden in het oude China. Deze riten dienden als richtingwijzers in de omgangsvormen tussen staten. De edelen die de staten bestuurden leerden ook hoe ze gedichten moesten reciteren, een wagen moesten mennen of moesten boogschutten. In die tijd moesten de edelen het goede voorbeeld geven, het volk zou dan wel volgen. Confucius geeft een draai aan bestaande riten en betrekt ze op omgangsregels tussen mensen onderling. Mensen dienen de moraal in zichzelf te zoeken, waardoor innerlijk en uiterlijk gedrag met elkaar in overeenstemming komen. Hoewel de zoektocht een levenslang proces kan zijn en ontmoetingen met echte wijzen zeldzaam zijn, zegt Confucius tegelijkertijd dat menselijkheid er altijd is. ‘Menselijkheid (Ren) is overal om je heen,’ zegt hij. ‘Zodra je het zoekt, is het er al.’
 

Confucius beschouwt zichzelf beslist niet als een wijze, ook hij worstelt met zijn zoektocht. Maar al honderd jaar na zijn dood betitelt zijn eerst bekende volgeling hem wel als zodanig. Zijn volgelingen, van wie Mencius en Xunzi de belangrijkste zijn, leggen nog meer nadruk op de menselijke zoektocht die een ieder moet ondernemen. Confucius en zijn volgelingen willen vooral geen normen opleggen maar aanzetten tot onderzoek naar de eigen morele waarheid. ‘Daarmee is het Confucianisme een typische deugdenethiek,’ zegt Karel van der Leeuw, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Van der Leeuw houdt zich al zo’n veertig jaar bezig met oosterse wijsbegeerte en schreef het boek Confucianisme, een inleiding in de leer van Confucius. ‘Het draait niet om goed en kwaad. Maar om oprechtheid ten opzichte van jezelf en als gevolg daarvan ten opzichte van een ander. In godsdiensten als het Christendom of de Islam draait het om een bepaalde verhouding tot god. In het Confucianisme draait het enkel om de verhouding tot jezelf.’
Karel van der Leeuw heeft sympathie ontwikkeld voor de leer van Confucius. ‘Ik beschouw het inmiddels wel een beetje als mijn levensovertuiging. Het is een soort godsdienst zonder god. Een humanistische wereldbeschouwing die niet het hiernamaals of het hogere eert, maar zich richt op de mens in de maatschappij. Maar het bevat wel degelijk spiritualiteit.’
 

Hoe past het Confucianisme in het dagelijks leven van onze samenleving? ‘Ik denk dat het onze westerse maatschappij een spiegel voorhoudt. Bij ons is de harmonie tussen innerlijke gevoelens en uiterlijke gedragingen een beetje verloren gegaan. Zoiets merk je het best bij belangrijke gebeurtenissen. Toen mijn vader overleed, merkte ik hoe onverschillig professionele betrokkenen uit de uitvaartbranche omgingen met de situatie. Terwijl mijn familie en ik de uitvaart en alles er omheen uiteraard op een persoonlijke manier en met de nodige emoties wilden beleven. Gedrag waarin geen plaats is voor emoties kom je op veel plekken in onze samenleving tegen. Je ziet mensen die zich niet goed kunnen uiten na een groot verlies. Anderen werpen zich juist mateloos op hun verdriet en kunnen helemaal niet meer functioneren. Zulk gedrag wreekt zich op den duur natuurlijk een keer.’

Confucius en zijn volgelingen zeggen: je moet je gevoelens authentiek kunnen uiten, maar zodanig dat niet het hele sociale leven wordt verstoord. Daarmee is niet het recept gegeven hoe je dat moet doen. Alleen krijgen we de boodschap mee dat innerlijk en uiterlijk met elkaar in evenwicht moeten zijn. Net als de Taoïst zoekt de Confucianist zelf zijn evenwicht. Daarbij vindt hij altijd een coach die hem begeleidt. Van der Leeuw: ‘In het Chinese denken is de verhouding tussen meester en leerling veel belangrijker dan in het westen. Een leraar of meester wijst je op dingen, geeft het goede voorbeeld. Dat is ook de werkwijze van Confucius. Hij zegt niet wat je moet doen, maar door zijn eigen menselijke afwegingen te maken leeft hij het voorbeeld voor.
Geen normen en waarden dus, wel duidelijke gedragsregels. In eerste instantie kan het lijken dat dergelijke riten of formele omgangsvormen opgelegd zijn. ‘Maar uiteindelijk worden ze een soort tweede natuur,’ legt Van der Leeuw uit. ‘Beleefdheid in de omgang met anderen is daarvan een goed voorbeeld. Dus gewoon elkaar beleefd aanspreken of de deur voor een ander open houden of uit beleefdheid opstaan voor een oudere dame of heer.’
Xunzi, de volgeling van Confucius, zegt dat we worden geboren met primaire levensbehoeften als honger, slaap en seksuele opwinding en ook met kwade behoeften. Hij beoordeelt geen van die dingen als goed of kwaad, hij stelt alleen dat kwade behoeften het maatschappelijk patroon kunnen verstoren. Daarmee komt de behoeftebevrediging van het collectief in het gedrang. Daarom dient de mens het dierlijke in zichzelf te beteugelen. Dan blijft de maatschappelijke orde in stand.
Door het aanhouden van Li, riten, wordt het gemakkelijker het gedrag te reguleren. Een zekere mate van formalisering zorgt ervoor dat mensen elkaar begrijpen, is het idee. Volgens volgeling Xuni is muziek daarbij onontbeerlijk. Muziek beoefenen reguleert volgens hem het innerlijk en de uiting van gevoelens die zo in banen worden geleid zodat mensen niet ontsporen.
 

Eerbied voor ouders is een kerndeugd binnen het Confucianisme, Xiao genaamd. De Meester zei: ‘Zolang je ouders nog in leven zijn, moet je niet ver weg reizen. En als je op reis gaat, moet je bereikbaar zijn.’ (Lunyu 4.19) [uit: Confucianisme, Karel L. Van der Leeuw]. Niet alleen nog levende ouders maar ook grootouders en ook weer hun ouders en grootouders. Voorouderverering zou je kunnen zien als een substituut voor de verering van een god of heilige. Van der Leeuw: ‘Chinezen zijn al in de oudheid hun geloof in hemelse verering verloren. Het gaat hen om het leven vanaf geboorte tot dood, verder gaat het niet. Maar ze hechten enorm aan familiebanden en verering van voorouders. Er zijn nu nog Chinezen die menen rechtstreeks van Confucius af te stammen. Volgens het Confucianisme moet je je ook voortplanten. Het nageslacht moet de nagedachtenis in stand houden van jezelf en je ouders. Van hen weet je zeker dat ze hebben bestaan. ‘Een beeld van het einde der tijden kennen de Chinezen niet,’ aldus Van der Leeuw. ‘Hoewel de wereld voortdurend veranderd, blijft hij altijd bestaan. Maar de continuïteit van de wereldgeschiedenis moet wel worden gegarandeerd door het voortzetten van de familielijn. Praktisch elke Chinees hecht nog altijd aan die waarde.’
 

Alles bij elkaar is het Confucianisme niet verheven of verlichtend. Het werd in het Europa van de negentiende eeuw tijdens de Romantiek nogal conformistisch gevonden. In die tijd ontstond in het Westen belangstelling voor het Oosterse denken met al haar magie en mystiek, dat ontbrak bij het Confucianisme. In China is het altijd de gangbare levensbeschouwing geweest, hoewel het met name tijdens de Culturele Revolutie (1965-1969) onder de communistische leider Mao verketterd is. Van der Leeuw: ‘Maar tegenwoordig draagt zelfs de regering het Confucianisme uit. Het communistisch bewind kiest alleen de elementen uit die het welgevallig zijn. Maar ook de huidige leiders van het land zien de voordelen van de Confucianistische waarden van menselijkheid en rekening houden met anderen. Bovendien wordt de leer met nationale trots als cultureel erfgoed van de mogendheid uitgedragen.’