Caribische Zeemijlen

Kort maar hevig is de ontgroening op een zeilschip in de Cariben. Al na twee dagen wordt elke landrot één met de boot. ‘Zijn het de golven, de schip op de zeedeining of mijn eigen benen die bewegen?’ Een zeilreis van eiland naar eiland.
 

Een speels avontuur is het: zeilen over azuurblauw water langs witte stranden in een altijd warme bries. Kleurige vissen, fleurige vegetatie, vrolijke mensen, verse papaja en alle dagen zon. 'We play by ear,' zo noemt de schipper van ons zeiljacht het zeilen langs Caribische eilanden. Ofwel, we nemen situaties zoals ze komen. De eerste tekenen van deze Caribische manier van doen sijpelen nog voor vertrek thuis in Nederland door. In reactie op de vraag welke plekken we allemaal zullen aandoen op onze achtdaagse zeilreis, komt het in de e-mails van de jachtverhuurder uit Grenada telkens keurig en vriendelijk geformuleerd op hetzelfde neer: we zien wel. Dat kan de efficiënt denkende Europeaan opvatten als ontspannen of zelfs lui. Die reactie wordt echter ingegeven door de allesoverheersende Caribische gedachte 'we play by ear'. We zien wel waar de wind ons heen waait. En het is de wind die het leven beheerst in de Cariben.

Een stevige passaatwind bracht Columbus in 1492 naar de boog van subtropische eilanden tussen Florida en Venezuela. Toen de Spaanse ontdekkingsreiziger voet aan wal zette op Hispaniola, het huidige Haïti en de Dominicaanse Republiek, dacht hij India te hebben bereikt. Sindsdien staat de eilandengroep van Cuba tot Grenada te boek als de West Indies. Topografisch gezien dus een onjuiste benaming. De verzamelnaam Cariben of Caraïben is een verbastering van de naam die de Spaanse veroveraars gaven aan een van de lokale stammen die ze aantroffen op de eilanden, de Carib Indianen. Grenada is het meest zuidelijk gelegen eiland. Tegen de westkust kabbelt de Caribische zee, op de oostkust slaat de branding stuk van de Atlantische oceaan.

Vanaf het moment dat schipper Selwin de trossen losgooit in Grenada’s thuishaven Port Louis gaat zijn blik aldoor omhoog. Het grootzeil verkleinen met één rif of twee? De fok maar niet helemaal uitrollen. De spinaker blijft benedendeks. Extra wind vangen zou gevaarlijk zijn, het waait hard voor de tijd van het jaar. December tot en met maart zijn de droge maanden waarin hevige maar korte buien vooral verfrissend werken. Het regenseizoen dat daar op volgt piekt in de beruchte orkaanmaand oktober. Dan bereikt het Atlantische zeewater temperaturen van 26 graden waardoor de wind kan aanwakkeren tot kracht 12.

Dicht langs de Atlantische kust maken oogverblindende variaties op turkoois, zeegroen en diepblauw kleurend water de ondieptes zichtbaar. Verstrooid op met wild groen begroeide en dramatisch gevormde rotsen liggen villa’s in Disney-kleuren en vormen. ‘Zie je die klif,’ wijst schipper Selwyn, ‘daar heeft mijn neef Vic een huis gebouwd. Hij werkte als technicus voor CNN in de VS. Nu zit hij er als pensionado goed bij.’ De op Grenada geboren neven bellen elkaar, maar Vic is niet thuis dus we kunnen niet naar hem zwaaien vanaf het dek. In Port Egmont Bay stuurt Selwyn ons schip naar de diepste inham achterin de baai. ‘Dit is een perfecte schuilplaats in geval van een orkaan. Je zeilt hier zo met je voorsteven in de mangrovewortels, dan ligt je schip goed beschut.’ Voor het eerst en zeker niet voor het laatst geeft Selwyn spontaan aan waar schepen relatieve veiligheid kunnen vinden wanneer de wind het lot van de mens als een speelbal in handen neemt.


Orkaan Ivan raakte in september 2004 grote delen van Grenada, naar schatting 39 mensen kwamen om het leven. Het oog van Ivan verwoestte 90% van de gewassen op de nootmuskaatplantages. Dramatisch voor het spice island dat wereldleverancier van nootmuskaat was. Het aantal nootmuskaatboeren zakte van 7.000 naar 1.000. Nieuwe aanplant leverde pas na vijf jaar vruchten. Chemisch ingenieur Bernard vertrouwt toch op een aantrekkende nootmuskaatopbrengst in de toekomst. In december 2011 opende hij de nieuwe familieonderneming West India Spices. De fabriek destilleert olie uit de geurige noot die wereldwijd goed in de markt ligt bij de medische industrie, de voedings- en gezondheidsindustrie. ‘Helaas is het animo om te gaan boeren laag,’ vertelt collega-ondernemer Mott in zijn Grenada Chocolate Company. De Amerikaan verruilde in de jaren tachtig het snelle Manhattan City voor tropisch paradijs Grenada. In tien jaar is het hem en zakenpartner Edmond Brown gelukt een internationale markt aan te boren. ‘Maar het blijft strijden om overeind te blijven. Er moet wel voldoende goede cacao worden verbouwd.’ De nietsvermoedende bezoeker van het eiland kijkt ondertussen zijn ogen uit naar bomen waaraan afwisselend bananen, cacaobonen, nootmuskaatvruchten of mango’s hangen te rijpen.
 

Hoewel de kracht van de wind en de weersomstandigheden uiteraard onvoorspelbaar zijn, kan een zeiler in het Caribisch gebied altijd rekenen op de wind. Vanaf Grenada is het mogelijk om binnen een week naar het 160 kilometer noordwaarts gelegen St. Vincent te varen. De vraag is echter of je dat wil. Want onderweg passeer je talloze eilandjes, de meeste onbewoond, elk met aantrekkelijke baaien waar je eenmaal voor anker heerlijk kunt zwemmen, snorkelen, wandelen, eten en ander bootjesvolk kunt ontmoeten. Of gewoon voor je uit staren naar het grote blauw. Wij koersen hoe dan ook noordwaarts. De eerste oversteek naar Carriacou is pittig. Mijn inschatting dat de Atlantische swell ons schip optilt en weer neer stampt op golven van wel zes meter blijkt overdreven. In realiteit gaat het volgens de schipper om tweeënhalve meter, nog steeds een val van een hele verdieping. Die klappen en het feit dat ik diverse malen de vissen voer, zoals de gevolgen van mijn zeeziekte aan boord eufemistisch worden genoemd, maken de tocht net zo onvergetelijk als de pracht van het water. In zijn geheel lijkt de zee een grote grijze woeste massa. De rollende golven die om ons heen stuk slaan in wit schuim zijn in al hun woestenij verfijnd zoals op Japanse kunstprenten, zacht blauw gekleurd tegen een donker dreigende lucht. Op zo’n zee aan het roer staan geeft zowel een nietig als een machtig gevoel, schrap op de voeten om in evenwicht te blijven.
Het kayaktochtje de volgende ochtend over spiegelglad en helder water in een ondiepe mangrovebaai past meer in het ideaalbeeld van zon-zee-strand vakantie. Ook al zo ontspannen is het bij het houten strandtentje van Jeanette. Zij serveert calaloosoep, zelfgemaakt met een soort spinazieblad dat hier overal groeit. Enkele jaren geleden bezocht ze haar voormalige Zweedse buren die een guesthouse op een van de eilanden waren begonnen. De Zweeds-Guyaanse Jeanette komt sindsdien elk jaar terug. In de Europese wintermaanden runt ze op Carriacou samen met haar vriend Franky hun turkoois geschilderde houten strandtentje in Tyrrel Bay. Het omliggende strand is ingericht met luierstoelen en kunstwerken van schelpen en zwerfhout.
 

De bevolking van de Grenadines en de St. Vincent eilandengroepen doet niet anders dan pendelen tussen de door water omringde landjes. ‘Water vormt voor ons geen grens,’ zegt de Amerikaanse Cathy. ‘Within a drop of a hat hoppen we naar een ander eiland. Een tochtje per watertaxi, ferry of een schip van vrienden is praktisch en leuk.’ Gehuld in bikini struint de gebruinde blondine met haar flesje bier in de hand naar de barbecue. Zij vertrok uit de Amerikaanse staat Oregon en bouwt nu een huis op Carriacou, waar ze een dierenkliniek runt. Vrienden grillen verse kreeft. Op zondag treft een vriendenmix van lokale en nieuwe eilanders elkaar op Sandy Island, pal naast Carriacou. Dit piepkleine onbewoonde strandparadijs bestaat uit zand, schelpen en palmbomen. Vanaf daar blaast een rustige wind ons naar het eiland Bequia, waar we een waanzinnige entree meemaken. Een Amerikaan heeft hier jaren geleden sprookjesbouwwerken in de rotsformaties gerealiseerd. Lichtgroene boompjes lijken door Bob Ross himself fijntjes tegen het vulkaansteen geschilderd.
Met zijn mobieltje belt onze schipper een maat in de haven die een ankerbol voor ons vrijhoudt en helpt aanmeren in Admirality Bay. We scheuren vliegensvlug in ons rubber bijbootje naar het douanekantoor aan wal. Daar kan schipper Selwyn nog net voor de langdurige middagsluiting ons schip en bemanning inklaren in het gebied van St. Vincent, waartoe ook Bequia behoort. Ik moet alweer geld pinnen. De East Caribbean Dollars, kortweg als EC aangeduid, vliegen er doorheen. Naast de kosten voor alle formulieren met stempeltjes om in- en uit te klaren, zijn de levenskosten aan de prijs. De eilanden moeten immers veel importeren, van luxe-goederen voor de Westerse toerist tot wc-rollen. En over importproducten wordt 100% belasting gerekend, een belangrijke bron van inkomsten voor de eilandbesturen.

We zijn blij als we op de dorpse boulevard van Bequia twee vrouwen treffen die op houten tafels een rijk assortiment tropische vruchten, tomaten en ander sappigs verkopen. Het klimaat mag heerlijk zijn voor bezoekers, de grond is droog dus fruit en groenten schieten niet overal omhoog. We slaan we flink in, onze boodschappen kunnen we dagen goed houden in de ruime koelkisten aan boord. Als we langs de waterkant het terras van het Gingerbread Hotel passeren, valt een verse cappuccino in de schaduw van de bomen niet te versmaden. We treffen Agneta, een artistieke Zweedse die hier al jaren woont en werkt. De Caribische batiks uit haar atelier op buureiland St. Vincent verkoopt ze hier in haar boetiek. Volgens haar blijft de sfeer op Bequia zo aangenaam omdat het eiland niet wordt overspoeld met veeleisende toeristen. Komend van buiten het Caribische gebied is Bequia alleen bereikbaar met een omweg via het internationale vliegveld van Barbados, een lokale vlucht naar St. Vincent en vanaf daar een overtocht per ferry. Ieder uur klinkt het luide stoombootsignaal van de veerpont, scholieren in uniform en forenzen stappen aan of van boord. Uit Coco’s Caribische keuken komen ’s avonds borden met aromatische gember, pompoen, vis en kreeft. We drinken natuurlijk een glas rum punch en slapen nog een nachtje deinend in de baai.
 

Na een luie ochtend hijsen we de zeilen voor een tocht richting de onbewoonde eilandjes van Tobago Cays. Daar draaien we de neus in de wind en laten de ankerketting zakken in de buurt van nog zo’n 20 zeilschepen. De ondergaande zon kleurt de lucht in onwaarschijnlijke tinten paars en het water in dito blauw. Een jongen die zich voorstelt als Romeo stuurt zijn houten motorbootje behendig langszij. Of we straks verse kreeft willen eten op het strand? Dat willen wij wel! Eenmaal ter plaatse fonkelen de kolen in de tot grill ongebouwde olievaten en de vlammen van kaarsen in plastic flessen op grote houten picknicktafels. Scheepsbemanning die hier aanschuift brengt eigen borden, glazen en bestek mee. Romeo en zijn bbq-collega’s komen elke dag van het naburige Union Island naar dit strand. Ze zorgen tegen een riante vergoeding voor uitgebreide salade, gepofte aardappels met knoflookgratin en sappig gegrilde kreeft en fruit toe. Zo’n 30 couverts zitten op blote voeten te tafelen op een niemandslandje midden in de Caribische zee. De wind om de oren, omringd door klotsend water.

Het ontbijt de volgende ochtend is ook al zo’n tropische verrassing. Walter met grijs kroeshaar en gouden tanden bezorgt in zijn felgekleurde bootje bananenbrood, versgebakken door zijn vrouw Lorna. Daarna dropt Selwyn mij met de rubberen dinghy bij het baaitje van Baradal waar het zandstrand overloopt in een bassin dat beschermd wordt door het omliggende eilandje. Al een paar meter van de kant drijf ik met mijn snorkel pal boven een schildpad. Ik schat de doorsnede van het schild op haast een meter doorsnede. Zich schijnbaar bewust van zijn evolutionaire superioriteit duikelt het dier op zijn dooie akkertje wat omlaag en hapt in de zandbodem naar zeegras. De helft gaat niet in maar langs de bek, interessant materiaal kennelijk voor kleine zilvervisjes die toesnellen en zich tegoed doen aan iets in de stofwolk onderwater. De groene Chelonia mydas laat zich ogenschijnlijk onverstoord benaderen door diverse zwemmende homo sapiens. Een Amerikaanse  snorkelaar roept opgetogen: ‘it’s big like a Volkswagen Beatle!’.
Nog nauwelijks bijgekomen van de ontmoeting met de schildpadden sta ik later op de zandbult Baradal plotseling oog in oog met een leguaan. Als een stoïcijnse punker duwt het macho diertje de kammen op zijn rug omhoog en zijn borst naar voren. Voorzichtig blijven we elkaar minutenlang aankijken. Als ik op blote voeten verder omhoog klim zie ik overal broertjes en zusjes; in groene schutkleur hangen ze tussen bladeren aan takken, bruingele exemplaren houden zich stil op stenen of zand. Op de top van Baradal kijk ik tussen cactussen en uitgeschoten aloë vera bloemen over de knalblauwe zee. Een opa in Dolce&Gabana-zwemslip en zijn kleinzoontje staan zich door de lens van hun camera’s net zo te vergapen als ik.

Na een lunchstop met tomatensalade terug aan boord brengt Selwyn me naar het Horseshoe Reef. Overal waar je in de Caribische zee overboord plonst en door je snorkelmasker onderwater kijkt is het prijs. Maar dit koraalrif in de vorm van een paardenhoef wordt wel het meest bejubeld in reisgidsen en door iedereen die ik tegenkom. Als landrot heb ik altijd opstartzenuwen als ik het open water in plons. Dat wordt nu versterkt doordat ik direct rotsen raak met mijn flippers. Als het zo ondiep is kan ik toch onmogelijk snorkelen? Bovendien zwellen oppervlaktegolven rondom het rif aan door een wolkenpakket dat rap mijn kant op waait. Nog voordat ik me enigszins heb georiënteerd is Selwyn alweer verdwenen en spartel ik in mijn eentje ongemakkelijk in zee. Totdat ik mijn hoofd omlaag breng. Op slag kalmeer ik door het zicht op het vertraagde onderwaterleven. In gigantische scholen zwemmen vissen in alle kleuren en maten voorbij. Ik zie grote waaiervormige koraalbladeren met een prachtige nerfstructuur wuiven die ik eerder in gedroogde vorm op strandjes heb zien liggen. Af en toe gluur ik even boven het onstuimige wateroppervlak om te zien of ik nog in de juiste richting ga. Ik kan de hele koraalboog op mijn gemak langsgaan, Selwyn komt me na een uur aan het uiteinde van het rif ophalen. Ik moet opletten dat ik met mijn armen of benen geen zeesterren of koraal raak. In de verte zie ik nog twee snorkelpijpjes omhoog steken. Best vreemd dat ik in mijn eentje rond duikel in een gebied dat ik niet ken. Maar veel tijd om daar over na te denken heb ik niet, daarvoor is het zicht veel te mooi.

 

’s Avonds schuiven we weer aan bij de inventieve openluchtkeuken van Romeo en zijn vrienden op het strand. We ontmoeten Mister Fabulous, zoals hij zichzelf noemt. Met zijn gespierde blote armen hanteert hij een groot mes en in tegenstelling tot ongeveer iedereen die we ontmoeten lacht hij niet. Hij kijkt ronduit boos en zo gedraagt hij zich ook. Hij wil ons blanke toeristen eens even goed de waarheid zeggen. De toekomst van zijn strand staat op het spel. ‘Ik heb hier maanden alleen gewoond met mijn hond, dus ja, het voelt als míjn strand. Jullie komen lekker eten en vertrekken dan weer. Maar de jongens hier zouden meer moeten samenwerken en een collectief vormen om de belangen van het eiland te beschermen.’ Mister Fabulous spreekt met een donderende stem. ‘Onze handel is in gevaar. Grote projectontwikkelaars willen dit ongerepte strand omtoveren tot het zoveelste resort. En dat terwijl de Tobago Keys een beschermd maritiem park zijn,’ briest hij verder. ‘De parkwachten varen alleen maar langs om liggeld te innen bij de plezierjachtjes. Om vier uur zijn ze weg terwijl toeristen zonder begeleiding rondzwemmen. Zo raakt het rif beschadigd en de schildpadden moeten zwemmen voor hun leven om niet geaaid te worden.’ De andere jongens staan lacherig om hem heen. Ze schamen zich voor de tirade en zeggen dat we hem niet serieus moeten nemen. Dan heft Mister Fabulous zijn armen in de lucht als een ware Messias en roept: ‘Iemand moet toch opkomen voor de kwetsbaarheid van de natuur!’
 

Onze nautische rondreis loopt ten einde. We zeilen terug richting Grenada op een comfortabele voordewindse koers. Telkens als we vliegende vissen zien opspringen langs de steven, wijzen we alsof er man overboord is en tellen we hoe lang een exemplaar dit keer in de lucht blijft. Twee borstvinnen dienen als vleugels waardoor de vissen echt over het wateroppervlak kunnen scheren. Tegen het middaguur van onze laatste zeildag ankeren we nog eens voor de kust van Carriacou, dit keer in de baai van het levendige plaatsje Hillsborough. ‘We zien elkaar straks daar onder de amandelboom,’ zegt Selwyn als ik het landvast van ons bijbootje vastknoop aan de steiger. Oververhit geraakt door mijn wandeling in de felle middagzon tref ik Selwyn anderhalf uur later aan de voet van de stam, in de schaduw van de bladeren. Hij staart over het water terwijl de altijd actieve Caribische zeewind speelt met de takken. Naast hem gebruikt een bevriende visser een stenen muurtje als werkblad. Hij snijdt een gleuf bovenin een grote hoornvormige schelp. Het is een conch, die ochtend opgedoken diep onder het watervlak op de open zee. Met zijn mes kan de visser nu eenvoudig de lamby – het vlees - verwijderen. Lachend toont hij zijn oogst. Bungelend aan het mes ziet de losgepeuterde zeeslak er een stuk minder appetijtelijk uit dan verwerkt in de aromatische curry zoals Jennifer hem juist opdiende. ‘Niet met kracht maar met tederheid moet je de lamby slaan’, verklaarde Jennifer leunend tegen de knalrozepilaar onder de veranda van haar eethuisje. ‘Dan krijg je mooi mals vlees.’

Selwyn vertelt me dat hij voorbestemd was
visser te worden, net als zijn vader. Zijn moeder stak daar een stokje voor na een bijna noodlottige vaart. Als jongen was hij uitgevaren met een ervaren visser. Toen het buitenboordmotortje het begaf was de oude man in tranen uitgebarsten. Zich niet bewust van de situatie had de jonge Selwyn hem uitgelachen. Pas jaren later begreep Selwyn dat de man wist dat hun laatste uren waren aangebroken. ‘Door een wonder hebben we het toch gered. Sindsdien weet ik dat je de zee nooit mag onderschatten.’